top of page

Beter communiceren met de BAR?



De afgelopen weken is er een klein media offensief gestart rond de BAR: Beschrijving Arbeidsbelastbaarheid en Re-integratie. Voor wie de ontwikkelingen heeft gemist hier een omschrijving uit het artikel over de ontwikkeling van de BAR in TBV: Van ICF naar BAR.


“Het BAR-instrument versie 1.0 is een op de ICF gebaseerd instrument dat door de bedrijfsarts gebruikt kan worden om de arbeidsbelastbaarheid en re-integratiemogelijkheden te beschrijven op een dusdanig begrijpelijke manier dat werknemer, werkgever en de arbeidsdeskundige de re-integratie kunnen vormgeven.”


Lees in bovenstaande omschrijving bij ‘arbeidsdeskundige’ vooral ook de ‘arbeidsdeskundige van het UWV’. Een belangrijke aanleiding voor de ontwikkeling van de BAR was het wetsvoorstel waarin de beoordeling van de bedrijfsarts leidend bij de RIV-toets zou worden gemaakt. Dit wetvoorstel werd in 2021 (tijdens de kabinetsformatie) controversieel verklaard en staat nu nog steeds in de wachtstand. Op de site van Kwaliteit op Maat viel op 4 februari het volgende te lezen:


“Het wetsvoorstel was een jaar geleden na een schriftelijke vragenronde klaar voor behandeling in de plenaire Tweede Kamer. Maar de Kamercommissie [was in meerderheid tegen en] stopte het toen in de ijskast. KoM-bestuurslid Madelijn de Kleine volgde nu de sessie van de Kamercommissie. Het voorstel bleek omstreden: PvdA, SP en GL wilden het liefst vanuit de ijskast naar de prullenbak. D66 wilde het laten behandelen in de plenaire Kamer met dus de beslissende stemming erover. Het compromis in de Kamercommissie werd: aanhouden tot na het plenaire debat over de hoofdlijnen van het SZW-beleid. Dat vindt plaats 17 februari, op 8 maart bekijkt de Kamercommissie het vervolg voor de ‘RIV-toets zonder verzekeringsarts’.”

Mogelijk komt de aanleiding voor het ontwikkelen van de BAR uiteindelijk te vervallen. Je zou je af kunnen vragen of de BAR als instrument dan relevant blijft.


De volgende stap

Mijn nieuwsgierigheid naar de BAR werd gewekt door een presentatie over de BAR op 16 juni 2021 bij Kwaliteit op Maat (KoM). In mei 2021 was de eerste versie de BAR met de bijbehorende leidraad opgeleverd. Een aantal bedrijfsartsen had hier vanuit KoM een bijdrage aan geleverd. Uit de presentatie kwam naar voren dat het uitgangspunt voor de BAR interessant was: een gezamenlijk begrippenkader voor bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen en andere betrokkenen. Daarnaast waren er ook wat vraagtekens: is het instrument wel bruikbaar voor re-integratie en wordt er niet teveel naar beperkingen in plaats van mogelijkheden gekeken. Vanuit KoM was er in ieder geval de intentie om actief bij de doorontwikkeling van de BAR betrokken te blijven.


Na de presentatie bij KoM hoorde ik weinig over de BAR. Achter de schermen liepen de ontwikkelingen door. Zo werd er op 22 oktober 2021 een Intentieverklaring voor de doorontwikkeling van de BAR getekend. Met een subsidie uit het ZonMw-programma ‘Verbetering kwaliteit poortwachtersproces’ kon in februari 2022 met de volgende fase van het onderzoek worden gestart. Hierin zal de BAR in praktijk worden getest en verder aangescherpt.


Parallel aan deze start kwam er veel informatie beschikbaar. Het eerste nummer van het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde in 2022 bevatte een special over de BAR. Wil je meer weten over de achtergrond van de BAR, de doorontwikkeling en de verschillende gebruikers, dan is deze special echt een aanrader.


Meer informatie tref je op de site van het BAR-project die recent is gelanceerd. Naast veel toegankelijk algemene informatie kun je op deze site de voortgang van het project in de gaten houden. Op deze site tref je ook een link naar een serie ‘BAR Talks’. Bedrijfsarts en KoM-bestuurslid Madelijn de Kleine gaat in gesprek met een arbeidsdeskundige in de private sector en een arbeidsdeskundige en een verzekeringsarts van het UWV.


In het gesprek met Lydia in ’t Hout (arbeidsdeskundige private sector) kwam mooi naar voren wat er met een eenduidig begrippenkader wordt bedoeld. Als arbeidsdeskundige krijgt zij zeer verschillende beschrijvingen van de belastbaarheid van werknemers onder ogen. Bedrijfsartsen maken gebruik van de IZP (inzetbaarheidsprofiel), de Fml, de Actuele mogelijkhedenlijst, de Medische mogelijkhedenlijst, eigen varianten van bedrijfsartsen van al deze lijsten of gewoon een eigen beschrijving van mogelijkheden en/of beperkingen. Er is dus geen sprake van een uniforme beschrijving van belastbaarheid of mogelijkheden. Dat zal voor het UWV niet anders zijn. Hoe een bedrijfsarts de beschrijving van de belastbaarheid aanlevert is in principe vormvrij. Dat maakt interpretatie voor alle betrokken professionals lastig. En dan heb ik het nog geeneens over werkgever en werknemer; wat hebben zij aan al die verschillende lijsten?


Een eerdere poging

Bij het uitpluizen van wat bronnen kwam ik een bericht tegen op de site van de NVvA. Daarin werd de BAR het IZP 2.0 genoemd. Maar is dat terecht?


De IZP (Inzetbaarheidsprofiel) wordt vanaf 2014 ter beschikking gesteld. Vertegenwoordigers vanuit UWV, SZW, NVVG, NVvA en NVAB hebben gezamenlijk de IZP ontwikkeld. Omdat de communicatie tussen verzekerings- en bedrijfsartsen als uitgangspunt werd genomen, stond bij voorbaat al vast dat het IZP zo goed mogelijk op de Fml moest aansluiten. Eigenlijk is het IZP dus gebaseerd op de Fml. De NVAB schreef daar het volgende over: “Als het gaat om het in kaart brengen van de belastbaarheid is het van belang dat verzekeringsartsen van UWV en bedrijfsartsen zo veel mogelijk bij elkaar aansluiten. Essentieel is dat de bedrijfsarts en verzekeringsarts het geheel van de mogelijkheden en beperkingen aangeven op dezelfde belastingrubrieken, die zowel voor re-integratie als voor claimbeoordeling worden gehanteerd. Bewust is daarom gekozen voor een wijze van beschrijving door de bedrijfsarts van de belastbaarheid voor re-integratie op die rubrieken die aansluiten op de CBBS systematiek op een zodanige wijze, dat kan worden begrepen waarom het bereikte re-integratieresultaat al of niet bevredigend is.


Door gedurende de eerste 2 jaar van ziekte op geëigende momenten bijgaand inzetbaarheidsprofiel te gebruiken, krijgt zowel de werkgever, de werknemer, de bedrijfsarts als het UWV eenduidig inzicht in het kwalitatieve verloop van de mogelijkheden en beperkingen. Bijvoorbeeld bij een arbeidsdeskundig onderzoek, het actueel oordeel of bij een aanvraag DO.”


Bij de lancering was het IZP nog in ontwikkeling en ontbrak de wetenschappelijke onderbouwing en validering. Eerlijk gezegd is de ontwikkeling van dit instrument grotendeels langs mij heen gegaan. Ondanks de verwachtingen en doelstellingen is de IZP nooit als gezamenlijke standaard omarmd. Eigenlijk is dat ook niet zo vreemd. Veel bedrijfsartsen hebben moeite hebben met de Fml omdat deze voor claimbeoordeling is ontwikkeld. Je kunt je dus afvragen of dat nog steeds van toepassing is voor een instrument dat daar van af is geleid.


Ambitieuze doelstellingen

Voor de BAR is een ander uitgangspunt gekozen; het instrument is dan ook zeker geen IZP 2.0. Niet de Fml maar de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) is als vertrekpunt gekozen.

In de eerste leidraad voor BAR wordt samengevat waarom de ICF een goede basis voor de BAR is:

  1. De ICF besteedt niet alleen aandacht aan het functioneren, maar ook aan persoonlijke en externe factoren die relevant zijn voor de belastbaarheid en reintegratie-mogelijkheden van werknemers.

  2. De ICF wordt gebruikt als neutraal gezamenlijk begrippen- en voor afstemming over gezondheid en participatie tussen niet alleen bedrijfsartsen, verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, maar ook met behandelaars als huisartsen, medisch specialisten en paramedici.

  3. De ICF is een internationale standaard; hierdoor wordt (internationaal) vergelijkend onderzoek, evaluaties en doorontwikkeling vergemakkelijkt. Dat laatste is handig als je bedenkt dat de bovengenoemde wetenschappelijke onderbouwing en doorontwikkeling van de IZP nooit van de grond is gekomen.

Het uitgangspunt voor de ontwikkeling van de BAR was om tot een breder inzetbaar instrument te komen. Dat zie je ook terug in de volgende omschrijving uit de leidraad: “Het classificatiesysteem van de ICF is bruikbaar om belastbaarheid te beschrijven in relatie tot participatie aan het maatschappelijk leven, zoals in (betaalde) arbeid. Ook kan het systeem helpen om re-integratie bevorderende interventies vorm te geven. De relevante externe en persoonlijke factoren helpen de voorwaarden te definiëren om terugkeer naar werk te bevorderen en oplossingen te vinden om eventuele barrières daarvoor weg te nemen.”

Het draait dus niet alleen om beoordeling van de belastbaarheid maar ook om het bevorderen van re-integratie.


In het artikel ‘Van ICF naar BAR’ uit TBV wordt beschreven wat de uitgangspunten bij de ontwikkeling van de eerste versie van de BAR waren:


“Om het gebruik van het instrument en de implementatie ervan in de praktijk te bevorderen wilden we dat het BAR-instrument een

  1. praktisch en handzaam instrument zou worden dat de bedrijfsarts gedurende de gehele verzuimperiode zou kunnen gebruiken om de belastbaarheid te beschrijven, maar vooral ook om re-integratiemogelijkheden en voorwaarden voor werk aan te geven richting werknemer, werkgever en de private arbeidsdeskundige.

  2. De arbeidsdeskundige van UWV kan vervolgens aan de hand van de beschrijving van belastbaarheid en re-integratiemogelijkheden in het instrument beoordelen of re-integratiemogelijkheden benut zijn (vooruitlopend op het controversieel verklaarde wetsvoorstel waarbij het advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij de toetsing van het re-integratieverslag).

  3. De verzekeringsarts zou uit het ingevulde instrument moeten kunnen opmaken welke beperkingen en mogelijkheden de werknemer volgens de bedrijfsarts heeft ten tijde van het actueel oordeel.”

Er is dus één actieve gebruiker van de BAR (de bedrijfsarts), maar het resultaat moet bruikbaar zijn voor werkgever en werknemer om afspraken te maken in het kader van re-integratie, voor de private arbeidsdeskundige om inzetbaarheid in eigen, aangepast of ander werk te beoordelen, voor de arbeidsdeskundige van het UWV om bij de WIA-beoordeling te toetsen of de re-integratiemogelijkheden wel zijn benut en voor de verzekeringsarts als ‘foto’ van de belastbaarheid bij het actueel oordeel. Hoe zorg je ervoor dat de BAR resultaten oplevert die voor al deze groepen bruikbaar zijn. Je kunt rustig stellen dat dit een ambitieuze doelstelling is.


Daar komt nog eens bij dat de bedrijfsartsen pas bij de ontwikkeling van de BAR werden betrokken, nadat de beslissing al was genomen om de ICF als basis te gebruiken. Het is dan ook logisch dat de bedrijfsartsen kritisch kijken of de BAR wel geschikt is voor hun primaire doel: het begeleiden en vooral ook bevorderen van re-integratie.



Biedt de BAR meer ruimte?

Zoals eerder aangegeven is het IZP nooit breed omarmd. Omdat het IZP was afgeleid van de Fml lag de nadruk toch teveel op het beoordelen. Het leverde de bedrijfsarts te weinig aanknopingspunten om de re-integratie nader in te vullen. Als een instrument de nadruk op beoordeling legt, dan bestaat bovendien het gevaar dat de uitkomst als statisch en definitief wordt gezien. Voor de bedrijfsarts gaat het meer om een momentopname; vanuit zijn perspectief zou de nadruk ook meer op mogelijkheden moeten liggen.


De BAR moest dus een ander instrument worden. Er wordt niet alleen naar belastbaarheid gekeken. Waar mogelijk wordt de belastbaarheid ook zoveel mogelijk in mogelijkheden beschreven. Aan de BAR zijn een aantal interessante rubrieken toegevoegd:

  • Werkfactoren: hierin kunnen de voorwaarden voor werk worden beschreven. Dit onderdeel geeft handvatten voor concreet advies aan werkgever en werknemer.

  • Persoonlijke factoren: met toestemming van de werknemer kunnen belemmeringen in persoonlijke of privéfactoren in kaart worden gebracht. Dit kan werkgever en werknemer helpen om naar oplossingen te zoeken.

  • Prognose: arbeidsbelastbaarheid, verwachtingen ten aanzien van re-integratiemogelijkheden en de wenselijkheid van arbeidsdeskundig onderzoek worden in perspectief geplaatst. Dit doet meer recht aan het dynamische karakter van de beschrijving.

Tot slot bieden alle rubrieken in de BAR de mogelijkheid om nadere toelichting te geven. In de toelichting van de eerste versie van het BAR-instrument staat het volgende:

“De informatieverstrekking en mate van detaillering van het invullen van het instrument is afhankelijk van de fase waarin het verzuim zich bevindt en de informatie die bedrijfsarts heeft over de beperkingen en prognose. Het proportionaliteitsbeginsel is daarbij leidend. De bedrijfsarts kan het instrument uitgebreid of minder uitgebreid invullen. Als het invullen de re-integratie maar ten goede komt. Het ligt in de lijn der verwachting dat de bedrijfsarts de belastbaarheid in het begin van de verzuimperiode in veel gevallen minder uitgebreid beschrijft, omdat re-integratie zich dan veelal richt op het eigen werk en het verzuim vaker kortdurend is”.

Juist de nadere toelichting kan helpen om concrete invulling aan de re-integratie te geven.



Beter samenwerken, minder sancties?

Ik doe nog even een stap terug naar de aanleiding voor het ontwikkelen van de BAR. Als de beoordeling van de belastbaarheid door de bedrijfsarts leidend zou worden bij de RIV-toets, dan is er behoefte aan een ‘overdrachtsdocument’ dat de arbeidsdeskundige van het UWV kan gebruiken om te toetsen of re-integratiemogelijkheden voldoende zijn benut.


Het volgende citaat uit het artikel ‘BAR 1.0, een goede start’ maakt duidelijk dat de BAR meer dan een overdrachtsdocument kan zijn: “De opstellers van de BAR verwachten dat het BAR-instrument zal leiden tot betere onderlinge communicatie en daardoor een beter re-integratieresultaat voor werknemers- en werkgevers. In het verlengde daarvan kunnen ook onduidelijkheden over (mogelijke) loonsancties worden voorkomen. Die ontstaan immers vaak doordat bedrijfsartsen en verzekeringsartsen van mening verschillen over de mate van belastbaarheid en de kansen die zijn blijven liggen in het re-integratietraject.”


Mocht het wetsvoorstel uiteindelijk toch worden aangenomen, dan zal er geen loonsanctie meer mogelijk zijn omdat de bedrijfsarts en verzekeringsarts de belastbaarheid anders interpreteren. De uiteindelijke beoordeling van het recht op WIA kan nog steeds niet in lijn liggen met de belastbaarheid waar de bedrijfsarts gedurende de begeleiding van is uitgegaan. De verwachtingen van werknemers en werkgevers op basis van de begeleiding van de re-integratie zullen niet altijd uit komen. Bedrijfsarts zien dat als een zorgpunt.



De volgende fase: toetsing van de BAR aan de praktijk

De komende vier jaar zal de BAR in praktijk worden uitgetest en op basis van ervaringen verder worden ontwikkeld. Op basis van de eerste informatie ben ik nog steeds enthousiast over de ontwikkeling van de BAR. Ik hoop dat het instrument zich tot een standaard ontwikkelt die heel breed zal worden gebruikt. Ik geloof ook echt dat dit bij kan dragen aan betere communicatie tussen bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen. De winst zit dan vooral in een beter verloop van de beoordeling.


Mijn enthousiasme groeit nog eens als de BAR daarnaast gebruikt gaat worden om mogelijkheden en voorwaarden in werk en persoonlijk functioneren scherper in kaart te brengen en deze te vertalen naar concrete en begrijpbare adviezen voor werknemer en werkgever. Dit zou daadwerkelijk een boost aan de re-integratie zelf kunnen geven. Ik blijf de ontwikkeling dan ook actief volgen.


156 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page